BENG / NTA8800 is de huidige norm voor woningbouw.
BENG staat voor ‘bijna energieneutraal gebouw’ en het zijn de energie-eisen die sinds 2021 van kracht zijn.
Daarmee is de EPC vervallen.
Als je nieuwbouwplan niet aan deze norm voldoet, krijg je geen bouwvergunning!
De energieprestatie wordt uitgedrukt met drie indicatoren:
• BENG 1: De energiebehoefte van het gebouw in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar.
• BENG 2: Het primair (fossiele) energiegebruik in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar.
• BENG 3: Het aandeel hernieuwbare energie in procenten.
De eisen die aan deze indicatoren worden verbonden, worden wettelijk vastgelegd en gelden vanaf 1 januari 2021 voor alle nieuwe gebouwen.
De BENG-indicatoren hebben betrekking op gebouwgebonden functies. Bij woningbouw zijn dat energie voor verwarming en koeling, tapwaterverwarming en hulpenergie voor installaties (pompen en ventilatoren). Bij woningbouw wordt de energie voor verlichting buiten beschouwing gelaten. Ook huishoudelijke apparaten tellen niet mee.
Een gebouw moet gelijktijdig aan de drie indicatoren voldoen. De indicatoren hangen met elkaar samen, maar het is niet mogelijk een onvoldoende op de ene indicator te compenseren met een ruime voldoende op een andere. Bij utiliteitsgebouwen zien de indicatoren en eisen er overigens iets anders uit.
BENG 1: energiebehoefte
De eerste BENG-indicator heeft betrekking op de hoeveelheid energie die een woning vraagt voor verwarming en koeling. De energiebehoefte wordt uitgedrukt in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar (niet te verwarren met de kilowatturen op de elektriciteitsmeter).

BENG-1 is voor de meeste grondgebonden woningen gesteld op maximaal 55 kWh/m².jaar.
Bij woongebouwen is BENG-1 in de meeste gevallen 60 kWh/m².jr.
De geometrie van een gebouw heeft invloed op de eis voor BENG-1. De geometrie wordt gedefinieerd als de verhouding tussen het verliesoppervlak (Als) en het gebruiksoppervlak (Ag) van een woning. Als deze verhouding ongunstig is, wordt de grenswaarde voor BENG-1 hoger. Bij grondgebonden woningen ligt de ‘knik’ in de grafiek bij een Als/Ag van 1,5. Bij een woongebouw ligt de ‘knik’ bij 1,83.
Bij woongebouwen is de grenswaarde voor BENG-1 meestal 5 kWh/m² hoger dan voor grondgebonden woningen. Bij woongebouwen met een ongunstige geometrie is dat niet zo. Bij gebouwen met een lichte bouwconstructie (zoals skeletbouw op basis van staal of hout) is de grenswaarde voor BENG-1 met 5 kWh/m².jr verhoogd. In de grafiek is dit weergegeven met een lichtblauwe lijn.
In de praktijk komen we met Als/Ag vaak tot deze uitkomst:
Woongebouwen (flatwoning bijvoorbeeld): 0,8 – 1,8
Tussenwoningen: 1,2 – 2,0
Hoekwoningen en 2-onder-1-kappers: 1,6 – 2,4
Vrijstaande woningen: 1,8 – 3,0
BENG 2: primair fossiel energiegebruik
De tweede BENG-indicator begrenst de hoeveelheid fossiele brandstoffen die een woning jaarlijks gebruikt. Het gaat om energie uit aardgas (koken, tapwater en verwarming), het niet-hernieuwbare deel van externe warmtelevering en fossiele brandstoffen die nodig zijn om elektriciteit op te wekken. Ook uitgedrukt in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar
BENG 3: aandeel hernieuwbare energie
BENG 3 stelt een minimum aan het aandeel hernieuwbare energie, uitgedrukt in %.
BENG-eisen per gebouwtype, norm per 1 juli 2020:
| Soort pand | Maximale energie behoefte kWh/m²/jaar |
Maximaal fossiel verbruik kWh/m²/jaar |
Minimaal percentage hernieuwbare energie % |
| Woning | 55 | 30 | 50 |
| Woongebouw | 65 | 50 | 40 |
| Kantoren | 90 | 40 | 30 |
| School | 190 | 70 | 40 |
| Zorg zonder bed | 90 | 50 | 40 |
| Zorg met bed | 350 | 130 | 30 |
| Winkel | 70 | 60 | 30 |

De BENG-systematiek. De eisen zijn gesteld op basis van de Trias Energetica, een driestappenstrategie om een energiezuinig ontwerp te maken:
BENG 1
Voor het bepalen van de maximale energiebehoefte in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar wordt de energiebehoefte voor verwarming en koeling
opgeteld. Hierbij wordt gerekend met een vastgesteld ‘neutraal’ ventilatiesysteem. De energiebehoefte kan worden ingevuld met hernieuwbare of fossiele energie. Voor de energiebehoefte is de verhouding van het verliesoppervlak (Als) ten opzichte van het gebruiksoppervlak (Ag) van belang. Dit is de zogenoemde compactheid Als/Ag (ook wel geometrieverhouding of vormfactor genoemd). Verliesoppervlak wil zeggen de hoeveelheid oppervlak waardoor een gebouw warmte kan verliezen (bijvoorbeeld via het dak of een gevel). Hoe compacter een gebouw is, hoe minder verliesoppervlak dat gebouw heeft ten opzichte van het gebruiksoppervlak. Om te voorkomen dat gebouwen met een relatief groot verliesoppervlak in verhouding tot het gebruiksoppervlak, zoals bijvoorbeeld een tiny house of seniorenwoning, moeilijk aan de eisen kunnen voldoen, is er voorzien in een gebouwvormafhankelijke eis, zodat de hoogte van de eis mede afhankelijk is van de compactheid van het gebouw.
BENG 2:
Het maximale primair fossiel energiegebruik, in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar, is een optelsom van het primair energiegebruik voor verwarming, koeling, warmtapwaterbereiding en ventilatoren. Voor utiliteitsgebouwen telt ook het primair energiegebruik voor verlichting en voor bevochtiging (indien aanwezig) mee. Voor zowel woningen als utiliteitsgebouwen geldt dat, als er zonnepanelen of andere hernieuwbare energiebronnen aanwezig zijn, de opgewekte energie van het primair energiegebruik wordt afgetrokken.
BENG 3:
Het aandeel hernieuwbare energie wordt bepaald door de hoeveelheid hernieuwbare energie te delen door het totaal van hernieuwbare energie en primair fossiel energiegebruik.
Bij primair fossiel energiegebruik worden de systeemverliezen (zoals leidingverliezen bij verwarming), hulpenergie (zoals pompen) en het rendement van de opwekkers (zoals de cv-ketel) en afgifte-elementen (bijvoorbeeld radiatoren en convectoren) meegenomen. Verder wordt ook – in tegenstelling tot hetgeen het geval is bij de energiebehoefte – het energiegebruik ten behoeve van warm tapwater in rekening gebracht. Bij de energiebehoefte wordt, gedifferentieerd naar compactheid, alleen naar de thermische kwaliteit en de luchtdoorlatendheid van de gebouwschil gekeken.
Regelgeving
EPBD
De Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) is het Europese kader voor de regelgeving over het energiegebruik in gebouwen. De lidstaten van de EU vertalen dit kader in nationale regelgeving. De EPBD heeft een lange voorgeschiedenis. In 2002 werd de eerste versie gepubliceerd, overigens mede geïnspireerd op de Nederlandse EPC. De EPBD bepaalde dat alle lidstaten van de EU een eis moesten stellen aan de energieprestatie van nieuwe gebouwen en dat alle gebouwen (bestaand en nieuw) moesten worden geclassificeerd. Na de eerste versie werd in 2010 de EPBD-recast gepubliceerd. Hierin stelde de Europese Commissie dat het energiegebruik van gebouwen voortaan wordt uitgedrukt in kWh/m2, ook warmte.
EPBD III
Op 10 juli 2018 heeft de Europese Commissie de herziene EPBD III vastgesteld. Deze richtlijn heeft als doel om de energie-efficiëntie van gebouwen verder te verbeteren. De richtlijn is op 10 maart 2020 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving. De EPBD III omvat nieuwe systeemeisen voor technische bouwsystemen, nieuwe keuringsverplichtingen voor verwarmings- en airconditioningssystemen (voornamelijk voor de u-bouw) en richtlijnen voor laadinfrastructuur voor elektrische auto’s.
NTA 8800 / BENG
Een deel van de EPBD-recast is in Nederland uitgewerkt in de Nederlandse Technische Afspraak (NTA 8800). In de NTA 8800 is de bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen vastgelegd. Op 1 januari 2021 is de NTA 8800 in werking getreden. Een prestatieberekening conform de NTA 8800 is verplicht bij de aanvraag van een omgevingsvergunning Het gaat hierbij dus alleen om nieuwbouw. De energieprestatie wordt uitgedrukt in drie indicatoren: de behoefte aan energie voor verwarmen en koelen, het primaire (fossiele) energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie. Deze indicatoren zijn beter bekend onder de aanduidingen BENG 1, 2 en 3. In de bouwregelgeving zijn aan de indicatoren eisen verbonden. Met het van kracht worden van de drie BENG-eisen is de EPC vervallen. Een omgevingsvergunning mag alleen worden verleend als uit berekening blijkt dat een gebouw aan de eisen voldoet.
Installateurs hebben in de praktijk vooral te maken met de eisen voor BENG 2 (efficiënte installaties voor verwarming, warm water en ventilatie) en BENG 3 (gebruik van zonne-energie en omgevingswarmte). Maar een belangrijk kenmerk van BENG is dat alle indicatoren op elkaar van invloed zijn. Door deze samenhang is het belangrijk dat ontwerper, aannemer en installateur aan de voorkant van het proces de juiste keuzes maken.
Systeemeisen voor technische bouwsystemen
De systeemeisen voor technische bouwsystemen en de eisen aan inregelen en instelbaarheid uit de EPBD III zijn uitgewerkt in het Bouwbesluit. Om precies te zijn in hoofdstuk 6, artikel 6.55. Dit artikel is sinds april 2020 van kracht. Hierin is een bovengrens vastgesteld voor de waarde van de energieprestatie van technische systemen voor onder andere verwarming en koeling. De waarde voor de energieprestatie is gedefinieerd als het primaire energiegebruik gedeeld door de energiebehoefte. Hoe hoger de waarde voor de energieprestatie, hoe lager het rendement.
De maximale energieprestatie voor verwarming is bijvoorbeeld gesteld op 1,31. Dat wil dus zeggen dat 1 kWh nuttig te gebruiken warmte niet meer dan 1,31 kWh primaire (fossiele) energie mag kosten. Met deze grenswaarde ligt de lat overigens niet bijzonder hoog. Centrale verwarming op basis van een gebruikelijke HR107-ketel is in de meeste gevallen goed genoeg. Dat geldt ook voor warmtepompen en zonne-combi’s. Een systeem met een elektrische cv-ketel in plaats van een hr-ketel voldoet echter niet.
Systeem
Met ‘systeem’ doelt de wetgever op het geheel van opwekking, distributie en afgifte. Als het gaat om losse toestellen, zoals IR-panelen die afzonderlijk van elkaar thermostatisch worden geregeld, is er geen sprake van een systeem en zijn de systeemeisen dus ook niet van toepassing.
De systeemeisen gelden niet alleen bij nieuwbouw (zoals de NTA 8800), maar ook bij verandering van een installatie in de bestaande bouw. Bijvoorbeeld als in een woning een cv-ketel wordt vervangen door een warmtepomp.
Een technisch bouwsysteem moet adequaat zijn gedimensioneerd, geïnstalleerd en ingeregeld. Het systeem moet bovendien door de bewoner per verblijfsruimte instelbaar zijn. Wat dus niet meer is toegestaan, is een systeem met een centrale woonkamerthermostaat en verder alleen open-dichtknoppen op de radiatoren. Adequaat dimensioneren betekent dat de capaciteit van een systeem zodanig wordt gekozen dat het goed en met een optimaal rendement functioneert bij gemiddelde gebruiksomstandigheden.
Het energielabel 2021 controleert BENG 2.
Volgend op de eerste EPBD is in Nederland de labelsystematiek voor woningen ontwikkeld. Het doel daarvan is om de bewoner objectief te informeren over de energieprestatie van zijn of haar woning. Sinds 2008 is dit label verplicht bij verkoop of verhuur van een woning, zowel nieuwbouw als bestaande bouw. Tot nu toe is die plicht, zeker bij overdracht van bestaande woningen, slechts mondjesmaat nageleefd. Met de invoering van de NTA 8800 wordt dat anders. De handhaving wordt strenger en de labelsystematiek is vernieuwd. Bij nieuwe woningen wordt het energielabel met een voorlopige status afgegeven op basis van de vergunningaanvraag. Daarbij correleert de labelklasse met de waarde van BENG 2. Na oplevering wordt de woning opgenomen door een gediplomeerde EP-adviseur. Dan wordt op basis van de werkelijk gerealiseerde situatie een definitief label afgegeven.
Energieprestatie bestaande woning
Voor installateurs is het belangrijk dat bij componenten die niet meer te zien zijn, bewijsmateriaal wordt aangeleverd. Dat geldt met name voor isolatie, maar wellicht ook voor installatieonderdelen. In een bestaande woning wordt de energieprestatie eveneens door een gediplomeerde EP-adviseur vastgelegd. Voor elementen die niet zichtbaar zijn en waarvan geen foto’s, facturen of andere bewijsstukken bestaan, wordt dan uitgegaan van forfaitaire waarden.
Het is overigens belangrijk te beseffen dat een energielabel een communicatie-instrument is. Het is wettelijk verplicht dat het energielabel bij transactie aanwezig is. De wetgever stelt geen eis aan de hoogte van het label.
Lente-akkoord en RVO
Veel vragen van bouwpartijen over BENG en het nieuwe energielabel zijn beantwoord op de website van het Lente-akkoord. De systeemeisen voor technische bouwsystemen uit EPBD III zijn toegelicht op de site van RVO.
Links m.b.t. deze:
https://www.lente-akkoord.nl/
https://www.rvo.nl/
EPG, EPC, EPN, wat is dat?
EPC = Energieprestatiecoëfficiënt
EPN = Energieprestatie-norm
EPG = Energieprestatie gebouwen
Historie, tijdspad daarvoor:
Wat was een EPC-berekening? Deze is vanaf 2021 niet meer geldig.
Eenvoudig gezegd: hoe beter je een woning maakt m.b.t. isolatie, ventilatie en installatie, hoe minder energie je nodig hebt om de woning comfortabel warm te houden. De hoeveelheid energie die nodig is om de woning te verwarmen/koelen en energie nodig om tapwater te verwarmen, wordt gewogen en uitgedrukt in een EPC-cijfer.
Als je in Nederland een nieuwe woning wil bouwen, moet deze aan EPC-eisen voldoen.
Men heeft aan bouwmaterialen waarden toegekend. Zo kun je de isolatiewaarde van vloeren, wanden en daken uitdrukken in een Rc-waarde en ramen en deuren hebben een U-waarde (zie bovenaan op deze pagina).
Dit tot op detail bekeken: bij een raam kijkt men dus niet alleen naar het type glas, maar ook naar hoe het glas in het kozijn zit, wat voor kozijn het is en hoe het kozijn in de muur zit. Alle aansluitpunten worden meegewogen. Ook bij het dak blijft het niet bij de dikte van de plaat en isolatie, maar ook het aansluiten op de woning speelt een grote rol.
Al deze waarden en materialen worden ingevoerd in de EPC-berekening. Ook wordt gekeken naar welke gevel op het noorden staat, welke op het zuiden enz. Kortom, talrijke cijfers worden in een formule gestopt waaruit dan een EPC-cijfer rolt. Hoe lager het cijfer, hoe beter het is!
Om aan een EPC-eis van 0,4 te voldoen, moet je dus goede isolatie enz. gebruiken. Ook het type warmtebron speelt een rol. Hoe energiezuiniger het verwarmingstoestel (bijvoorbeeld een warmtepomp), hoe beter dit is om aan het EPC-cijfer te komen.
De EPC-berekening wordt meestal door een architect of adviseur opgesteld.
Vanaf 2020 mogen waarschijnlijk alleen nog woningen gebouwd worden met een EPC van 0, dat wil zeggen dat je de energie die nodig is om de woning comfortabel te houden (dus niet energiegebruikers als oven, tv, pc, stereo, waterbed, enz.) zelf op moet wekken of het gebruik 0 moet zijn. Daarbij wordt gerekend in Joule, dus stel dat je toch nog een aardgasketel hebt die bijvoorbeeld 500 m³ gas verbruikt per jaar, en je wekt daarnaast met PV-cellen elektriciteit op die, omgerekend in Joule, gelijk is... dan kun je toch uitkomen op een EPC van 0.

De energie-eis wordt uitgedrukt in de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). Hoe lager de EPC, hoe zuiniger het gebouw.
De EPC-berekening is onbeperkt geldig, tenzij het pand ingrijpend gerenoveerd wordt.
De EPC is sinds 1995 een instrument van het Nederlandse klimaatbeleid. Door energiebesparing en toepassing van duurzame energie wordt de verbranding van fossiele brandstoffen beperkt. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de vermindering van de Nederlandse uitstoot van CO₂. Het is van belang om de CO₂-uitstoot te verminderen om zo klimaatverandering tegen te gaan.
Energielabel / EPC
- Vanaf 1 januari 2006 is de grenswaarde voor het EPC-getal gesteld op 0,8 of kleiner
- Vanaf 1 januari 2011 is de grenswaarde voor het EPC-getal gesteld op 0,6 of kleiner
- Vanaf 1 juli 2012 wordt de EPC berekend volgens de NEN 7120
- Vanaf 1 juli 2013 energielabels voor nieuwbouwwoningen
- Vanaf 1 januari 2015: EPC 0,4 of kleiner (en nieuwe labeling)
- Vanaf 1 juli 2020: BENG
Vanaf 1 januari 2015 is de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) voor woningen aangescherpt naar 0,4.
Voor het realiseren van een EPC ≤ 0,4 kunnen diverse bouwkundige en installatietechnische maatregelen worden getroffen. Denk hierbij onder andere aan de thermische schil, het verwarmings- en tapwatersysteem en het energiezuinige ventilatiesysteem. Het combineren van bouwkundige en installatietechnische maatregelen leidt tot een optimaal energieconcept.
Thermische schil
Denkt u bij schil aan een sinaasappel of banaan? De buitenkant van de woning noemen we de 'schil'.
Naast de aanscherping van de EPC-eisen voor woningen en utiliteitsgebouwen worden ook de minimale eisen aan de warmteweerstand (Rc-waarden) in het Bouwbesluit 2012 verhoogd. Per 1 januari 2015 gelden, hoogstwaarschijnlijk, de volgende minimale Rc-waarden voor
nieuwbouw:
Vloeren Rc ≥ 3,5 m²K/W (niet gewijzigd)
Gevels Rc ≥ 4,5 m²K/W
Daken Rc ≥ 6,0 m²K/W
De minimale Rc-waarde wordt per constructie gedifferentieerd. Deze differentiatie is opgenomen, omdat het kosteneffectiever is om hogere isolatiewaarden toe te passen in een dak dan in een gevel of vloer. Het beperken van de energievraag door goed te isoleren vormt de basis voor een goed energieconcept.
Voor ramen en deuren wordt de eis aan de U-waarde daarentegen wat versoepeld. De huidige U-waarde-eis van 1,65 W/m²K geldt momenteel op constructieniveau. Het bleek bijvoorbeeld bij de veel toegepaste schuifpuien in woningen lastig om aan de regels te voldoen. Omdat energiebesparing door de hele gebouwschil wordt bepaald, is besloten om per 1 januari 2015 de 1,65-eis te laten gelden voor de gemiddelde U-waarde. Daarbij mag de U-waarde van een individuele constructie niet hoger zijn dan 2,2 W/m²K.
Voor nieuwe utiliteitsgebouwen (gebouwen als kantoren, scholen, fabrieken, kazernes, ziekenhuizen en dergelijke) verschillen de grenswaarden per gebouwfunctie.
De energieprestatie drukt dus de energetische kwaliteit van een woning uit; daarbij gaat het alleen over het gebouwgebonden energiegebruik. Het principe werkt min of meer zo: voor de woning wordt een ‘energiebudget’ bepaald. Dit is de hoeveelheid energie die een woning jaarlijks gebruikt bij een EPC van 1. Vervolgens moet worden uitgerekend hoeveel energie de woning werkelijk gebruikt. Deze twee waarden worden gedeeld en dat is de uitkomst EPC van een woning. Uw bouwbedrijf of architect kan deze, middels software (EPG-berekening) die hiervoor is ontwikkeld, uitrekenen.
De berekening gaat dus over de energie die nodig is om het binnenklimaat incl. verlichting van uw woning op orde te houden. Hierin zijn opgenomen: verwarmen, koelen, pompen, hulpenergie, verlichting, ventilatoren, bevochtiging en warm tapwater.
Het gebruik van beeld- en geluidsapparaten, computers en huishoudelijke apparaten (wasmachines, vaatwassers, koelkasten, diepvriezen, enz.) zit hier niet in opgenomen. Indirect wordt hier wel rekening mee gehouden. Als uw woning supergeïsoleerd is, zal namelijk de warmte die bij deze apparaten vrijkomt een belangrijke rol gaan spelen, zo veel zelfs dat men soms al aan koeling moet gaan denken om het niet te warm te laten worden. En die koeling moet dan dus weer wel zijn opgenomen.
In de praktijk blijkt dat voor het behalen van een EPC gelijk aan of lager dan 0,4 het vrijwel onmogelijk is dit cijfer te halen zonder MEDE-toepassing van een duurzame energiebron zoals zonne-energie, windenergie of bijvoorbeeld een warmtepomp. Hoe goed uw huis ook geïsoleerd en hoe slim ook geventileerd is.
Ter info:
Per 1 juli 2012 is de EPG in de plaats gekomen van de EPN:
- De nieuwe EPG is technisch verbeterd, maar daardoor nog complexer geworden, wat in veel gevallen een aparte deskundige vergt om de EPC voor een woning of gebouw uit te rekenen
- De nieuwe EPG staat twintig procent minder ver van de werkelijkheid af dan zijn voorganger. Macrocijfers over ventilatiegedrag en stookgedrag ontbreken nog door gebrek aan grootschalig onderzoek.
- Voorlopige berekeningen met de nieuwe EPG laten zien dat zowel bouwkundige als installatietechnische technieken over het algemeen gelijk of minder gewaardeerd worden dan in de oude EPN. Het zal dus meer maatregelen vergen om de scherpe eis van 0,6 voor woningen te halen.
- Naast energiebesparende maatregelen worden de energieopwekkende aspecten van een gebouw belangrijker.
- De toerekening van bouwkundige maatregelen als isolatie is in de nieuwe EPG vergelijkbaar met de oude EPN. Ook douchewarmteterugwinning en zonneboilers worden ongeveer gelijk gewaardeerd.
- Installaties blijven belangrijk. PV wordt positiever gewaardeerd in de nieuwe norm. De extra hulpenergie, bv. voor (warmte)pompen of koelapparatuur, telt zwaarder mee dan voorheen. De meeste wijzigingen betreffen de ventilatie.
- De invloed van collectieve systemen is nog grotendeels onbekend.
- Gezien de complexiteit van de EPG lijkt er behoefte aan een simpeler systeem dat onder meer potentiële besparing in euro’s, afschrijving en extra hypotheekopties van maatregelen toont. Woonconsumenten en gebruikers zijn daar meer gevoelig voor.
Energiecertificaat: NEN 7120 + Nader Voorschrift Naast het vereenvoudigde label (energielabel) bestaat er een uitgebreidere methode. De uitkomsten van deze methode worden onder andere gebruikt in het woningwaarderingsstelsel (WWS).
De huidige bepalingmethode (ISSO 82.3) wordt vervangen door de NEN 7120. Dat is de norm die tevens gebruikt wordt voor de bepaling van de EPC-waarde (nieuwbouw). Om de NEN 7120 ook voor de bestaande bouw geschikt te maken, is het Nader Voorschrift (NV) uitgewerkt. Per 1 januari 2015 wordt de NEN 7120 + NV aangestuurd voor de bepaling van het energiecertificaat. De bepalingsmethode volgens de ISSO 82.3 komt dan te vervallen. Het resultaat van het energiecertificaat wordt uitgedrukt in een EI (energie-index). Hieraan wordt geen letter gekoppeld. Het vergelijken van het energielabel (vereenvoudigd energielabel) en het energiecertificaat (NEN 7120 + NV) is dus niet mogelijk. Voor woningen is het energielabel nieuwbouw (nog) niet aangestuurd. Zoals eerder beschreven is dat voor de utiliteitsbouw wel het geval. De procedure/methode voor het vaststellen van het energielabel nieuwbouw voor woningen is wel al uitgewerkt. Nieman Raadgevende Ingenieurs heeft het nieuwbouwlabel al voor diverse woningbouwprojecten volgens de uitgewerkte procedure vastgesteld.
Gelijkwaardigheidsverklaring
Voor het berekenen van de EPC zijn natuurlijk talrijke getallen nodig. In het berekeningsprogramma zitten vele van deze getallen al voorbereid opgeslagen. Zo zijn veel soorten isolatie en de dikte daarvan voorzien van normeringsgetallen, welke allemaal in het berekeningsprogramma zijn opgenomen volgens vastgelegde wettelijke normeringen. Ook ventilatietypes en warmte- en koudeopwekkers zijn hierin opgenomen. Zo is er bijvoorbeeld een waarde voor een HR 107 cv-keteltype bepaald.
Omdat de techniek zich met de dag verder ontwikkelt, zijn niet alle getallen voorzien in de berekeningssoftware; dat is ook haast onmogelijk. Om dit ‘probleem’ op te lossen zijn zogenaamde gelijkwaardigheidsverklaringen in het leven geroepen. Een fabrikant kan voor haar product deze verklaring op laten stellen. De cijfers uit deze gelijkwaardigheidsverklaring mogen dan worden gebruikt in de berekening. De gemeente, welke de bouwaanvraag beoordeelt, zal naar alle waarschijnlijkheid ook vragen om een kopie van de betreffende verklaring.
Als voorbeeld een warmtepomp: voor een warmtepomp is al een getal vastgelegd in het omschreven berekeningsprogramma. Echter, er zijn al warmtepompen die beter functioneren dan het getal dat hiervoor is opgenomen. Om van de nieuwe prestaties van bepaalde warmtepompen uit te gaan, kun je dus gebruikmaken van een gelijkwaardigheidsverklaring. Dit levert dan soms net een gunstigere EPC-waarde op om aan de eis te voldoen.
Een fabrikant mag deze gelijkwaardigheidsverklaring niet (of nog niet) zelf opstellen; een bevoegde onafhankelijke instantie mag dat doen. In Nederland zijn TNO en KIWA voorbeelden van organisaties die dit doen. Men beproeft het apparaat in een laboratorium en stelt hiervan, ook weer volgens vastgelegde normeringen, een gelijkwaardigheidsverklaring op.
Hierbij nog een kanttekening geplaatst: er zijn warmtepompen die goede cijfers behalen, maar toch (nog) geen gelijkwaardigheidsverklaring hebben. Hoe kan dit? Het op laten stellen van zo’n verklaring kost duizenden euro’s. Het laten opstellen van zo’n verklaring maakt dus dat het product duurder moet worden, immers iedereen wil geld verdienen. In de praktijk zal je dan ook zien dat alleen producten met een grote omzet (hoge aantallen verkoop) een dergelijke verklaring op laten stellen; immers, anders wordt het product te duur. Zo’n verklaring moet ook per warmtepomptype worden beproefd, dus bij meerdere types lopen de kosten al snel op. En als je dan als fabrikant ook nog om de paar jaar met een nieuw product op de markt wil komen, wordt soms de overweging gemaakt om geen verklaring ‘te kopen’.
Ondertussen zijn er natuurlijk al vele gedachten over hoe dit beter en efficiënter zou kunnen. Fabrikanten lobbyen voor goedkopere methodes of bijvoorbeeld voor het feit dat één Europese norm voldoende zou moeten zijn (en niet in elk land een eigen test/verklaring Milieuorganisaties lobbyen voor strengere regels. Maar dit terzijde.
©Energieambassadeurs
-Energiecoach-

♦maandag 14 september 2026



